Joost Cornelisz. Droochsloot, Uitdeling aan de armen, 1654, Collectie MSK Gent

In de armenkamer wachten de behoeftigen geduldig hun beurt af. Overwegend vrouwen die eenvoudig maar netjes gekleed zijn. Deze volkse types tonen graag dat ze het fatsoenlijke leven leiden dat van hen verwacht wordt. Wie van het rechte pad afweek riskeerde zijn uitkering te verliezen. Opvallend is het hondje links op de voorgrond. Een detail dat zeker niet bij de armen thuishoorde. Wie immers een hond te eten kon geven, kon ook voor zichzelf instaan en kwam dus niet in aanmerking voor armensteun.

Zielenheil

In het sociale leven van de Hollandse zeventiende eeuw speelde liefdadigheid een belangrijke rol. Ze zou niet alleen de armen ten goede komen, maar ook de milde schenkers, die werkten aan hun zielenheil. Voorbijgaan aan de plicht van liefdadigheid was een van de ergste zonden. Joost Cornelisz. Droochsloot (Utrecht? – Utrecht, 1666) was vooral bekend om zijn drukbevolkte stads- en dorpsgezichten zoals Dorpskermis (1629), een schilderij dat zich eveneens in de Gentse collectie bevindt. Aangezien ze deel uitmaakten van het straatbeeld kwamen op deze genretaferelen ook regelmatig armen, bedelaars en kreupelen voor. Interieurs zijn in zijn oeuvre eerder zeldzaam.

Joost Cornelisz. Droochsloot, Uitdeling aan de armen, 1654, Collectie MSK Gent, CC0, Foto: Dominique Provost

Aalmoezenierskamer

In Utrecht, waar Droochsloot werkzaam was, behoorde de armenzorg tot de taken van de diaken van de gereformeerde kerk. Omdat de rooms-katholieken van de gereformeerden het verwijt kregen dat ze hun eigen kerkgenoten bevoordeelden werd een Stadsaalmoezenierskamer opgericht. Deze bestond uit zestien leden – acht gereformeerden en acht katholieken – en een boekhouder die de financiën beheerde. Behoeftigen die steun verlangden dienden zich bij de kamer aan te melden. Voorwaarde was wel dat men minstens vier jaar in Utrecht woonde. De inkomsten van de aalmoezenierskamer werden verworven door wekelijkse collectes en gildemaaltijden, het aanzeggen van sterfgevallen, het luiden van de klokken voor overledenen en boetes op het te laat bezorgen van lijken in de kerk.

Detail uit: Joost Cornelisz. Droochsloot, Uitdeling aan de armen, 1654, Collectie MSK Gent, CC0, Foto: Dominique Provost

Broodpenningen

Centraal in beeld zit de boekhouder achter een tafel. Hij houdt het register bij. Rechts van hem zit een vrouw die de munten beheert; geldstukken of broodpenningen, die tegen voedsel konden worden ingeruild. Allebei zijn ze verzorgd en modieus gekleed. De volkse types zijn meestal schematisch weergegeven. Sommige personages kregen in de details wel een expressieve uitdrukking of een individuele karaktertrek.

Rode kousen

De meeste vrouwen dragen een witte muts die de oren bedekt met op het achterhoofd een uitsparing voor de chignon. De witte schoudermanteltjes zijn ‘nachthalsdoeken’, een informeel kledingstuk dat zowel in bed als overdag gedragen werd. Hun rokken waarover soms een voorschot hangt reiken tot op de enkels. Hieronder dragen ze ouderwetse schoenen met een kleine hak, die opzij sterk zijn uitgesneden. Opvallend zijn de rode kousen die hierdoor zichtbaar zijn.

Personeel

De zittende vrouw rechts en de twee dames in de hoek achteraan bij de gelaarsde man dragen dezelfde kledij: een rode bloes en een witte schort. Ze behoren tot het personeel van de armenkamer. Aalmoezen werden ook gegeven in natura zoals kledij, brandhout of beddengoed. De zittende vrouw rechts beheert het textiel dat naast haar in een nis ligt opgestapeld. Het pakket bevat onder andere een matras van trijp, een grauwe stof met grijze en blauwe strepen.

Detail uit: Joost Cornelisz. Droochsloot, Uitdeling aan de armen, 1654, Collectie MSK Gent, CC0, Foto: Dominique Provost

Achondroplasie

Sommige figuren zijn opvallend klein van gestalte. Dwergen werden meestal afgebeeld als meelijwekkend, maar ook als komische schepsels. Hier worden ze beschouwd als marginale figuren die steun verdienen. Specialisten hebben ze in verband gebracht met achondroplasie, een aangeboren beenderziekte en het Prader-Willi-syndroom, waarbij de groeistoornis gepaard gaat met een geestelijke achterstand.

Jobsgasthuis

Opmerkelijk zijn ook de talrijke schilderijen aan de muur. Dit hoeft niet te verwonderen, gezien er in de Nederlandse Gouden Eeuw op vele plaatsen schilderijen aanwezig waren, ook in liefdadigheidsinstellingen. Van Droochsloot weten we dat hij aan het Jobsgasthuis in Utrecht, waar hij vanaf 1638 regent was, ook schilderijen geschonken heeft. Daarom is het verleidelijk om Uitdeling aan de armen hier te situeren, maar noch de locatie, noch de afgebeelde schilderijen konden tot nu toe geïdentificeerd worden.

Bron: Jos de Meyere, Een curieuze collectie. Hollandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw, MSK/Snoeck, Gent, 2015.

Lees meer over de collectie van MSK Gent op de website van het museum en volg het museum via Facebook en Instagram.

Geef een reactie

Thema: Baskerville 2 door Anders Noren.

Omhoog ↑